| BovenbouwAlgemeenVanaf de negende klas is de puberteit duidelijk ingezet en gelden andere opvoedkundige instappen. Nu worden het abstractievermogen, de oordeelsvorming en de groeiende zelfstandigheid ten volle aangesproken. Een gezond oordeelsvermogen stelt als voorwaarden: een zorgvuldige waarneming, een verdere scholing van het innerlijk beeldend vermogen en een helder denken.
Met de puberteit wordt de muur die de eigen binnenwereld veilig afbakent voor de buitenwereld doorbroken en brokkelt dan langzaam verder af. De jongere komt nu tegenover de naakte werkelijkheid te staan en wil die werkelijkheid van binnenuit, vanuit zichzelf veroveren. Het heeft in zijn eigen centrum een wereldje leren kennen waarop elk gebeuren betrokken wordt en van waar alles uitgaat: het eigen ik. De jongere zoekt zijn plaats in de buitenwereld maar wil deze wereld evengoed omvormen naar zijn eigen normen. In de puberteit heeft het kind nog steeds grenzen nodig. De opvoeder, ouder of leerkracht, kan het respecteren van deze grenzen niet meer autoritair vragen. Discussie en argumentatie zijn nu aan de orde. Een dag in het leven van een puber lijkt soms één aaneenschakeling van kritiek. En dat is gezond, want op die manier leren pubers hun eigen standpunten bepalen. Voor de leerkracht is het een moeilijke fase. De puber is zeer veeleisend i.v.m. kennis, kundigheid en moraliteit van hun leraar. Gevoel voor humor is een pedagogische hulp om al te scherpe kritiek te doorprikken. |