| Pedagogie
De mens is op drie verschillende manieren met de wereld verbonden: via het
denken, via het gevoelsleven en via zijn lichamelijke activiteit.
Rudolf Steiner wees daarom op het belang van een evenwichtige ontwikkeling van het cognitieve (denken), het
sociale (voelen) en het praktisch-handvaardige (willen). Een kind moet evenzeer bezig zijn met het hoofd, als met het hart als met zijn handen. De ontplooiing van elk van deze drie gebieden wordt op een steinerschool evenwaardig behartigd. Verder vormt de manier waarop kinderen de menselijke natuur leren kennen één van de belangrijkste elementen van de steinerschoolpedagogie. Door middel van een scala van uiteenlopende vakken (van geometrie over kunstgeschiedenis tot tuinbouw) leert de opgroeiende jonge mens vanuit een breed perspectief zichzelf en de wereld kennen. Opvoeden tot zelfkennis is een fundament van de steinerschoolpedagogie. Kinderen leren ervaren hoe de mens op de hierboven vernoemde drievoudige wijze (via zijn denken, zijn gevoel en zijn handelen) met de wereld verbonden is. Dat gebeurt vaak door vergelijkingen te maken met de natuur. Daardoor krijgen mens en natuur meer betekenis. Het kind krijgt hierdoor inzicht in het eigen wezen en meer begrip voor de wereld. Het leerplan van de steinerschoolscholen is gebaseerd op de ontwikkelingsfasen van het kind. Terwijl ze opgroeien ondergaan kinderen radicale veranderingen. Van 0 tot pakweg 21 jaar doorlopen alle kinderen dezelfde ontwikkelingsfasen. Ondertussen worden ze ook heel eigen persoonlijkheden. Op steinerschoolscholen is het pedagogisch werk gebaseerd op algemene inzichten omtrent het kind in de verschillende ontwikkelingsperiodes en op een individuele aanpak. Met een eersteklasser ga je anders om dan met een zesdeklasser. Alle kinderen in de eerste klas verschillen van elkaar en moeten ook individueel benaderd worden. De leerkracht op de steinerschool stemt de activiteiten en zijn pedagogisch gedrag af op die veranderingen die zich voordoen bij de kinderen die hij begeleidt. Daarbij is hij zich niet alleen bewust van wat uiterlijk zichtbaar is. Met het innerlijke - ziel en geest - wordt evenveel rekening gehouden als met de lichamelijke ontplooiing. De verschillende ontwikkelingsperiodes van het kind vormen de basis voor het opvoedkundige handelen. Dat wil zeggen dat de inhoud en het onderwerp van de vakken gekozen worden volgens datgene wat voor het kind op dat ogenblik van zijn ontwikkeling noodzakelijk is. Men vraagt zich af welk onderwerp op welke leeftijd het best behandeld kan worden om in de kinderlijke ziel een gezonde basis te leggen om later als een evenwichtige volwassene door het leven te gaan. Leerstof is dus in de eerste plaats ontwikkelingsstof, geen informatieoverdracht. Mensen verliezen nooit het vermogen tot leren. Een steinerschoolleerkracht probeert door elke dag met liefde in zijn klas te staan, bij kinderen een levenslange liefde te wekken voor het leren. Niet het uiteindelijk behalen van een diploma is het einddoel van de steinerschoolpedagogie, maar wel het opvoeden van jonge mensen tot volwassenen die door zelfscholing hun leven steeds opnieuw richting kunnen geven. De steinerschool is een school waar men kan leren dat men een leven lang bezig is mens te worden. Er worden aan de steinerschoolpedagoog hoge eisen gesteld. Hij moet niet alleen de leerstof beheersen. Hij moet vooral het antwoord zoeken op de volgende twee vragen:
|