| Achtste klasZevende klas
Slungelig, trappend tegen alles wat hem voor de voeten komt, baant de dertienjarige zich een weg door het leven. Als propellers maaien zijn armen door de lucht, van alles in hun vaart meesleurend. Benen worden per ongeluk in beweging gezet en te pas en te onpas uitgestrekt, tot onvermoed struikelblok voor de omgeving. Alles is te groot, te onhandig, te veel uit proporties gegroeid. Het afgeronde, harmonische kinderlichaam van voorheen is doorgeschoten tot een uit balans geraakte verschijning. Ook de innerlijke rust raakt verstoord: onzekerheid, hangerigheid, rusteloosheid, maar daarnaast een hevig verlangen de wereld in al haar nuances te ontdekken, zijn kenmerken van de zevende klassers. Vaak uit zich dat in overgevoeligheid, wat dan weer verborgen wordt achter een al te nonchalante houding. Ze willen de indruk wekken alles wel alleen af te kunnen, maar vragen eigenlijk nog aan een halve hand vastgehouden te worden. Evenwel uitsluitend in figuurlijke zin: echt aan de hand van de volwassene lopen willen ze niet meer.
Met de lichamelijke veranderingen is de prepuberteit vaak al in de zesde klas ingezet, de overgang van kind naar puber. Die overgang vindt niet voor alle kinderen tegelijk plaats, de klas bestaat dan ook uit 'reuzen' en 'kuikens'. Terwijl in de pauze de ene helft van de klas achter een bal aanholt staat de andere helft er gezellig bij te kletsen, ongevoelig voor de hen rakelings voorbijschietende bal en tot schreeuwende woede van de fanatieke spelers. Ook gaat voor het eerst het verschil tussen jongens en meisjes een rol spelen. Sommige meisjes hebben hun krachten al nodig voor de lichamelijke rijping, terwijl de jongens juist overlopen van vitaliteit. De meisjes zijn vaak snel moe en hangerig, de jongens overactief en baldadig. In de prepuberteit moet een basis gelegd worden, stevig genoeg om straks in de puberteit de problemen het hoofd te bieden.
Stapje voor stapje ontdekt de zevende klasser de wereld: deze lijkt zo aantrekkelijk, zo groot, maar zo ongrijpbaar. Het is een glibberig pad waarlangs de dertienjarige loopt. Hij heeft het nodig dat er structuren in zijn wereld worden aangebracht, dat geeft overzicht en zekerheid. De opdrachten die een zevende klasser krijgt, moeten dan ook duidelijk en overzichtelijk zijn en de verhaalstof tenminste waar gebeurd om niet meteen naar het rijk der fabelen verwezen te worden. De leerkracht vertelt nuchter, anders zouden zijn leerlingen alleen maar om zijn verhalen lachen. Details en feiten willen ze weten. Ze vragen de leerkracht het hemd van het lijf, de meest onverwachte en bizarre vragen waarop hij/zij zich net niet heeft voorbereid worden hem gesteld: Hoe oud is die vulkaan? Hoe heette de vrouw van Maarten Luther? De meeste kinderen willen ook graag en kunnen ook zelfstandig of in groepjes werken. Ze willen veel doen in weinig tijd. De leerkracht stelt strenge eisen aan zijn leerlingen, wat niet wegneemt dat de omgang tussen leerkracht en klas kameraadschappelijker wordt. De geschiedenis behandelt het tijdperk van de Renaissance tot de Nederlandse Gouden Eeuw. Na de donkere Middeleeuwen richtten de mensen opnieuw hun blik op het aardse bestaan. Zij werden uitgedaagd de wereld te verkennen en te doorgronden. Hoewel veel zeelieden vreesden hun ondergang tegemoet te gaan, weken sommige schepen af van de bekende, veilige route en waagden zich op vreemde zeeën en oceanen. Hendrik de Zeevaarder wilde in Afrika de legendarische priesterkoning Johannes ontmoeten om hem terzijde te staan in de strijd tegen de Moren. Rond 1500 echter sloeg de geestelijke impuls om naar een materialistische: goud en specerijen, nieuw land en slaven werden de drijfveer van de latere ontdekkingsreizigers. De renaissance is ook een tijd van revolutionaire ideeën. Galilei en Copernicus stelden de zon in plaats van de aarde in het middelpunt van het heelal. Machiavelli schreef een "handleiding" over politiek en macht. Luther en Calvijn behoorden tot de eersten die zich in het openbaar verzetten tegen de leer van de rooms-katholieke kerk. Willem van Oranje vocht met vuur voor vrijheid van godsdienst.
Een zelfde wereld van tegenstellingen komen de kinderen heel duidelijk tegen in de algebraperiode. Ze beleven positief en negatief op velerlei manieren. Ook machtsverheffing, worteltrekken en de leer van de vergelijkingen worden behandeld. Bij meetkunde komt de zevende klas tot de stelling van Pythagoras. In de lessen biologie wordt de kinderen onze lichamelijke afhankelijkheid duidelijk van voedingsgewassen die koolhydraten, vetten, eiwitten en mineralen bevatten. Dit mondt uit in het koken van volwaardige en smakelijke maaltijden. Tijdens de aardrijkskundeperiode verdiept men zich in enkele Europese volkeren, waarbij men uitgaat van de materiele en economische basis van hun bestaan. Wanneer je de levenswijze van twee ver verwijderde volkeren naast elkaar zet, worden de tegenstellingen duidelijk zonder dat het tot vooroordelen of generalisaties hoeft te leiden. De horizon van de kinderen wordt verwijd door de behandeling van de plaats van zon, maan, sterren en planteren. In de natuurkundeperiode worden de onderwerpen licht, geluid, warmte, magnetisme en elektriciteit uitgebreid. Het is nog niet noodzakelijk dat de kinderen tot begrip komen van de natuurkundige verschijnselen, maar wel dat ze verbanden kunnen leggen: als ik dit doe, gebeurt dat. Alles wat zij leren, stoelt op hun ervaringen, opgedaan tijdens de gezamenlijke proeven of op hetgeen zij in groepjes zelf hebben uitgevoerd. Evenwicht is het uitgangspunt in de mechanicaperiode. De ontdekkingen die de kinderen door de proeven doen worden nu geschematiseerd. Hijskranen, ophaal- en basculebruggen worden van dichtbij bekeken en getekend. Ook zoeken de kinderen naar gereedschappen die werken volgens het hefboomprincipe (onder andere de nijptang, de hamer en de schaar) en ze proberen alle mogelijkheden van katrollen uit. Het inzicht in de constructie vormt de oplossing van wat zo ingewikkeld leek. De toepassing van eenvoudige principes biedt de kinderen zekerheid. Ook in de scheikundeperiode moet de leerstof lichamelijk te ervaren zijn. De klas moet zien, horen, tasten en ruiken. Met verschillende materialen wordt vuur gemaakt. Doordat de kinderen deze vuren precies moeten natekenen en beschrijven, leren zij heel nauwkeurig kijken. Vele onderwerpen die met het vuur te maken hebben komen aan de orde. Kalk, zwavel, koolstof en fosfor worden bestudeerd op het ontstaan, de eigenschappen, de werking en de verbrandingsprocessen.
In de zevende klas tekenen veel kinderen niet meer zo graag en onbevangen als daarvoor. Ineens vinden ze dat ze dat niet meer kunnen. De werkelijke verhouding die ze willen tekenen, krijgen ze niet meer op papier. Door het tekenen ook verstandelijk te benaderen en de grondbeginselen van het perspectieftekenen aan te leren, krijgen de leerlingen langzaamaan weer een beetje zelfvertrouwen. Door steeds vanuit een ander perspectief te tekenen ervaren zij aan den lijve dat ieder mens een ander standpunt heeft.
In het weekrooster van de zevende klas valt de nadruk na het periodeonderwijs op tuinbouw, houtbewerking, schoenmaken en naaien. Bij deze vakken kunnen de kinderen hun werklust richten op een product dat eisen stelt en doorzettingsvermogen vraagt, bijvoorbeeld door een schaal te gutsen. Van belang is dat functionaliteit en eigen expressie met elkaar in evenwicht zijn. Dit ambachtelijk onderwijs draagt ertoe bij dat de dertienjarigen thuis raken in de fysieke wereld. Het jaarwerk spitst zich toe op de beleving en de beschrijving van een voor de leerling nog onbekend volk. |