| MiddenbouwAlgemeen
De eerste graad van het secundair onderwijs wordt gezien als een afronding van de pedagogische cyclus die begon in de lagere schoolperiode. In de onderbouw werden de kinderen uitgedaagd tot leren via een kunstzinnige en beeldrijke, niet-intellectuele benadering. Het centrale opvoedingsprincipe was 'schoonheid': uiterlijke schoonheid, maar ook de schoonheid die schuilt in bijvoorbeeld fair play, vredelievendheid of de schoonheid die leeft in de anderen. Het overmatig aanspreken van het vermogen tot abstractie wordt in deze fase als nadelig beschouwd voor de latere psychische en lichamelijke ontwikkeling. In de eerste graad van de middelbare school zijn de leerlingen in een overgangsperiode naar de puberteit. De klasgroep wordt nog begeleid door een vaste 'meegroeiende' klasleerkracht die bij voorkeur zoveel mogelijk vakken zelf geeft, en het beeldend denken en het inlevingsvermogen worden nog zoveel mogelijk aangesproken. Pedagogisch wordt een periode van beschouwend inleven afgesloten en een periode van meer onderzoekend leren voorbereid; de wereld van het zintuiglijke komt centraal te staan. De leerlingen worden 'aarderijp', wat zich uit in de strekking van hun gestalte, hun geslachtsrijpheid, en de geboorte van een eigen en steeds diepergaand gevoelsleven. Dit kan hen zoals bekend op deze leeftijd in grote verwarring brengen. Rond de leeftijd van 12 jaar wordt een grotere afscheiding merkbaar tussen de eigen persoonlijkheid en de omgeving. Het al dan niet kunnen leggen van een eigen verbinding met de wereld leidt tot hevige gevoelens van sympathie en antipathie. Jongeren van deze leeftijd willen een grotere greep krijgen op de materie, op de buitenwereld en willen ook grenzen verleggen. Tegen het einde van de eerste graad zijn de jongeren in hun benadering van de buitenwereld "harder" geworden, kritischer. De leerinhouden en activiteiten spelen hier thematisch op in.
|